Een contract voor bepaalde tijd loopt van rechtswege af. Toch moet een werkgever 1 maand vóór de einddatum schriftelijk aangeven of hij wel of niet met de werknemer door wil gaan. Doet de werkgever dat niet (schriftelijk) dan is de werkgever een ‘boete’ verschuldigd van maximaal 1 maandsalaris.

In de wet staat dat schriftelijk aangezegd moet worden. Wat als dit mondeling gebeurt?
In een zaak waarover de Hoge Raad in oktober 2020 uitspraak deed, waren de feiten als volgt.
De werkgever heeft de werknemer tijdig verteld dat hij het contract niet verlengt. De werknemer erkent dat ook. Hij is als gevolg van de opzegging op zoek gegaan naar een nieuwe baan. Die heeft hij gevonden. De baan start direct na afloop van zijn oude contract. Perfect toch?

Deze werknemer vond van niet. Hij eiste de boete van de werkgever. Er was immers niet schriftelijk aangezegd.

Wat denk jij? Kreeg de werknemer gelijk?

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gaf de werknemer gelijk. De Hoge Raad liet de uitspraak in stand.

Het gaat er bij de aanzegverplichting dus niet om wat het doel hiervan is. Namelijk de werknemer tijdig informeren dat hij op zoek kan naar een andere baan. Het gaat ook om een wettelijke bepaling waarin een verplichting is opgenomen dat deze mededeling schriftelijk gegeven dient te worden. De wetgever heeft in de parlementaire geschiedenis uitgebreid overwogen dát het schriftelijk moet én waarom het schriftelijk moet. Dit vereiste kan je niet zomaar ter zijde stellen, ook niet als de werknemer er geen last of hinder van heeft gehad.

Kortom, werkgevers, bevestig altijd even schriftelijk dat een arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd!

Categories:

Tags:

Comments are closed